De longlist Debutantenschrijfwedstrijd 2019|2020

Joost - fictie

Gods wonderen in de Kashba 

 

De Kashba is een wit gebouw van vijf verdiepingen aan Beverly Boulevard, tussen een Liquid Food Store en een rij kantoorpanden voor eenmanszaken. Het eerste pand is van meneer Andersen, een verzekeraar gespecialiseerd in bedrijfsinboedels. Bij de deur van het volgende adres hangt een bord waar ‘Dental Dream’ op staat en een onderschrift in het Koreaans.  

    Niemand weet precies hoe de Kashba aan zijn naam is gekomen. Meneer Andersen zegt dat er in de jaren zestig hippies woonden die in Marokko waren geweest. Later werden de huren te hoog en vertrokken ze naar Venice Beach. De laatste tijd zit er soms een zwerver op de stoep voor het gebouw, een man met een zonnebril op en lang grijs haar.

    Elke ochtend bel ik aan bij de Kashba en loop vijf trappen omhoog naar de bovenste etage. Kevin ligt nog in bed met zijn laptop naast hem, dus Mira doet open en maakt verse muntthee. Meestal gaan we ’s middags naar het skatepark. Kevin rijdt op zijn board, in een grijs T-shirt en op blote voeten, en ik duw Mira vooruit. Haar rolstoel zweeft en ik weet dan zeker dat ze met gemak dezelfde tricks kan doen als Kevin op de halfpipe.

 

Als we op een vrijdagmiddag terugkomen van het skatepark, zit de zwerver neuriënd op de stoep. Ik maak de voordeur open en duw de rolstoel over de drempel. Kevin blijft staan en kijkt lang naar het grijze overhemd van de zwerver, die zijn zonnebril beleefd afzet. Hij heeft de droge huid en de berustende oogopslag van een goeroe.

   ‘Hoe kom je aan dat hemd?’ vraagt Kevin.

   Uit het verhaal dat de zwerver begint te vertellen, maak ik op dat hij het jaren geleden heeft gevonden, in een prullenbak in Century City.

   Kevin onderbreekt hem: ‘Vijftig dollar?’

   Nieuwsgierig blijf ik in de deuropening staan, terwijl Mira zelf naar de lift rijdt. De zwerver schudt zijn hoofd. Het ruitjespatroon van zijn overhemd is vaal geworden.

   ‘Vijfenzeventig? Honderd? Zeg maar wat u wilt hebben.’

   Ik ken Kevin van de opleiding Engelse literatuur aan UCLA, maar hij stopte na het eerste jaar om in verzamelobjecten te gaan handelen. In het weekend rijdt hij langs garage sales en hij komt altijd met iets terug, een handgeknoopt tapijt uit Isfahan, een aansteker die van Dylan Rieder is geweest of een eerste druk van Norman Mailers Deer Park. Soms zit er bloed op zijn lip. Dan heeft hij gevochten, misschien iets gestolen, maar hij verdient goed aan zijn handeltje en de Dental Dream is dichtbij. Kevin is de rijkste schoolverlater van Los Angeles en met een deel van zijn winst betaalt hij Mira’s zorgverzekering. De zwerver kijkt Kevin verbaasd aan.

   Mira draait haar rolstoel weer om en rijdt terug naar de voordeur. ‘De lift is kapot.’

   Kevin stelt voor om haar zonder rolstoel naar boven te dragen. We twijfelen.

   ‘Misschien kunt u ons helpen?’ vraag ik aan de zwerver.

Zonder een woord te verspillen loopt hij de trap op en grijpt de rolstoel bij de twee rubberen hendels. Kevin en ik houden ieder aan één kant de buizen boven de voetsteunen vast en zo tillen we Mira tree voor tree naar boven. Mira is nergens bang voor, dus ook niet om te vallen, en in liften moet je net zo goed geloven. Voor Kevin en mij is het zwaar en na een paar treden beginnen we al te zweten, maar we ruiken alleen de zwerver, een volle treincoupé zonder airconditioning of de ruwe kant van een luciferdoosje. We vinden het ritme van galeislaven, tellen een twee drie vier en dan geeft de zwerver van bovenaf een flinke ruk aan de hendels en tillen Kevin en ik de rolstoel op de volgende tree.   

   Als ik niets meer voel, denk ik aan een verhaal uit de bijbel. Vier mensen willen met hun verlamde vriend de Messias bezoeken, maar om het huis is een menigte toegestroomd, dus dragen ze hem met bed en al het dak op en maken een gat. Daarna laten ze met touwen het bed naar beneden zakken zodat de vriend precies voor de voeten van de Messias landt. Ik heb altijd willen weten hoe ze op het dak zijn gekomen. Niet de genezing is het wonder, maar het werk van die vier mensen.

   Eenmaal boven in de studio van Kevin en Mira, kijkt de zwerver zijn ogen uit tussen de kledingrekken, de stapels eerste drukken van Hollywood-romans, rekwisieten uit horrorfilms en de plastic Tyrannnosaurus rex, die ooit naast een tankstation bij Death Valley stond.

   ‘Je wilt je misschien wassen?’ vraagt Mira. De zwerver knikt en hij verdwijnt geruisloos in de badkamer.

   ‘Ik heb een schoon overhemd voor je’, roept Kevin. Maar de zwerver kijkt niet eens om.

 

Terwijl we op hem wachten, steekt Kevin een joint op, waar we om beurten trekjes van nemen. Ik denk aan de huid van de zwerver, hoe het water voor het eerst naar jaren op de gebarsten poriën valt, als een regenbui in een woestijn. Net als hij leidde ik een solitair leven. Mensen kunnen eenzaamheid ruiken, maar in tegenstelling tot zwerfhonden die jankend tegen je opspringen, glimlachen ze vriendelijk en gaan er meteen weer vandoor, alsof je toestand besmettelijk is. Hier in de Kashba vond ik een tweede thuis, bij Kevin en Mira tussen de verzamelobjecten. Ze lieten mij binnen omdat ze elkaar al hadden en hun relatie zo vanzelfsprekend was dat er ruimte was voor een derde.    

   De zwerver doet te lang over zijn douche. Kevin klopt een paar keer op de deur. Mira denkt dat hij niet kan praten. Na drie kwartier raakt mijn geduld echt op en ik klop nog eens op de deur. Het minste wat hij kan doen is een teken van leven geven. De deur zit niet op slot. In de badkamer hoor ik dat de kraan niet goed is dichtgedraaid. Vallende druppels in een badkuip klinken altijd luider als je alleen bent. Geen zwerver.

   ‘Is hij er nog?’ roept Kevin vanuit de kamer.

    Mira krijgt een lachbui. Maar hij is echt verdwenen. Dan zie ik het blauwe vlak in het plafond, een perfect uitgesneden hemels vierkant dat er nooit eerder was. En de keukentrap naast de wasmachine is verdwenen. Het was me nooit opgevallen, maar er zit een luik in het plafond. Ik roep Kevin.

   ‘Er zitten luiken in het dak voor als er brand uitbreekt’, zegt hij, ‘maar ze zijn erg zwaar. Die kun je niet in je eentje openen.’

    De zwerver natuurlijk wel, die is beresterk, zoals we net zagen. We lenen een ladder van de buren en klimmen het dak op. Ook daar zien we de zwerver niet. Wel de keukentrap, die staat precies in het midden, alsof de man die we zoeken naar de hoogste tree klom en daarna de sprong naar boven waagde.  

      Zwijgend lopen we naar de rand van het dak en kijken naar beneden. En hoewel ik weet dat alles beweegt, van de toppen van de palmbomen tot het avondspitsverkeer, verbeeld ik mij dat alles een fractie van een seconde tot stilstand komt, een storing tussen twee filmbeelden die zo kort duurt dat het bioscooppubliek het niet merkt. We maken een ronde over het dak en dan zien we iets wapperen aan een van de bovenste spijlen van de brandtrap. De zwerver heeft daar zijn overhemd achtergelaten en met de mouwen een stevige knoop gemaakt, als een geïmproviseerde vlag aan de mast van een piratenschip. Kreeg hij het warm? Had hij zijn overhemd bovenaan de trap niet meer nodig? Kevin zet een paar stappen richting de afgrond, maar zijn benen beginnen al te trillen. Hij durft de trap niet af om zijn buit op te halen. Hij is een waardeloze piraat.

    ‘Waarom wil je dat vod per se hebben?’

    ‘Het is precies zo’n overhemd dat Keanu Reeves in Point break droeg. Ik kan er minstens tweehonderd dollar voor krijgen.’


We zien de zwerver nooit meer op de stoep. Mira denkt dat hij in de Kashba heeft gewoond, misschien wel hier in dit appartement volgestouwd met schatten uit de hele stad. Hoe kon hij anders weten van het luik? We hopen dat hij het niet erg vindt dat we zijn plek gebruiken.

   Als je op een namiddag over Beverly Boulevard rijdt, van het centrum naar Santa Monica, zie je na een half uur vanzelf de Kashba. En als je dan voor het stoplicht moet wachten, heb je alle tijd om naar de witte zijgevel te kijken. Bovenaan de brandtrap hangt het overhemd van de zwerver, hoger nog dan de toppen van de palmen. Eerst lijkt het op een teken voor verdwaalde engelen: hier wonen mensen waar je welkom bent, mensen die je niet zullen wegsturen. Dan haal je je schouders op, denkt aan een feest op het dak, een flauwe stunt van een dronken waaghals, en je schuift je zonnebril omlaag, zet de radio aan, rijdt verder richting de kust.

       

 

  

    

 

 

Feedback

Goed en met vaart verteld verhaal