De longlist Debutantenschrijfwedstrijd 2019|2020

Roddia - fictie

Dit is een feest

Roddia Rumahloine

Een feest is pas geslaagd als er genoeg mensen per vierkante meter staan. Ik denk dat Merel me daarom heeft uitgenodigd, om de lege ruimte te vullen tussen de prullenbak en het kruidenrek.

     De schemerige keuken is smal en lang. Merel heeft de plafondlamp afgeplakt met blauw plastic waardoor iedereen een ongezonde gloed krijgt. Mensen lachen, maken biertjes open en zwaaien met hun armen, een dansje dat ik niet ken. 

     Aan de andere kant van de keuken, in de hoek, naast het oud papier, zit een jongen op een bierkrat. Hij observeert de mensen die met hun armen zwaaien: twee jongens in zwembroeken, een meisje in een geel Pikachupak. Zelf is hij verkleed als wortel, op zijn hoofd een groene pluk loof. In zijn wang bolt een kauwgombal op en bijna proef ik het zoete dat nooit naar aardbeien smaakt.

     Op feestjes ben ik meestal onzichtbaar. Daarom ben ik verkleed als spook, met een wit laken over mijn hoofd, twee uitgeknipte gaten als ogen en een zwevend biertje in mijn hand. Een grapje dat niemand zal snappen. Ik val niet op tussen de piraten, cowboys en tijgers die door het huis zwerven.

     Ik vraag me af of er een thema is. Tijdens college leende Merel een pen van me en toen ze hem teruggaf, zei ze: ‘Hey, zaterdag geef ik een verkleedfeest, kom ook!‘ 

     Ik zei: ‘Oké,’ en bedacht pas later, toen ik op mijn kamer een programma keek over de sociale interacties tussen vissen, wat ik allemaal had kunnen antwoorden, hoe ik beleefd had kunnen weigeren, iets over een etentje of een verjaardag van een oom, en nu ben ik hier.

 

Alleen zijn is niet erg, in mijn studentenflat zie ik zelden iemand, en de jongen met de kauwgombal is ook alleen. Eigenlijk wil ik naar hem toe gaan, vragen wat hij allemaal ziet, of de Pikachu een elektrische aantrekkingskracht op hem heeft. En ik wil ook een kauwgombal. Maar dan zou ik iedereen op hun schouder moeten tikken, verontschuldigend moeten knikken, en ze zouden hun heupen tegen het aanrecht moeten drukken om mij erlangs te laten. Ik zou mijn onzichtbaarheid verliezen.

     Waar is Merel? Sinds ze bezig was met stokbroden en knoflookdip heb ik haar niet meer gezien. Ik ben benieuwd hoe ze deze mensen kent. Soms hoor ik Merel klagen over haar middelbareschoolvrienden die allemaal nog thuis wonen. Deze mensen zien er niet saai uit, eerder alsof ze druk bezig zijn met iets.

     Ik steek mijn biertje onder het laken en neem de laatste slok. 

     Een van de Zwembroeken gebaart dat hij gaat plassen en er ontstaat ruimte bij de koelkast. Ik glijd erheen voor nieuw bier. Als ik de koelkastdeur sluit, zie ik de jongen met de kauwgombal, zijn lege handen, en pak een tweede flesje.

     ‘Is dat een boerka?’ De overgebleven Zwembroek stoot de Pikachu aan, wijst naar mij en lacht om zijn eigen grap. Mijn wangen tintelen, ik leun tegen het aanrecht en blijf zo stil mogelijk staan. Het werkt. De Zwembroek en de Pikachu leggen hun handen om elkaars middel en ik glip langs de lijvenklont.

     Ik verschijn naast de jongen met de kauwgombal en druk het bierflesje tegen zijn blote bovenarm. 

     ‘Koud,’ zegt hij. 

     ‘Voor jou.’ 

     Hij knikt en neemt het bier aan. Ik wil een slok uit mijn flesje nemen, maar vergeet het laken en knoei.

     Even ben ik bang dat hij me zal uitlachen, maar hij pakt een krant van de stapel oud papier en dept mijn laken met het hoofd van de Amerikaanse president.

     Ik lach, zo van: ‘Bedankt’, maar dat ziet hij natuurlijk niet. Ik had een extra gat moeten knippen voor mijn mond. 

     De witte pluisjes op zijn wortelpak lichten blauw op, ik hoop dat de president geen vegen heeft gemaakt op mijn laken. De muziek gonst tussen ons in en ik probeer iets te bedenken om over te praten. ‘Waar heb je die kauwgombal vandaan?’ 

     Het lijkt alsof hij me niet verstaat.

     Ik wijs naar zijn wang. 

     ‘Serieus?’ Hij schudt zijn hoofd, staat op van het bierkrat en vertrekt naar de gang.

     Mijn wangen tintelen nog meer en de muziek wordt harder gezet. Ik laat me zakken op het krat. Heeft iemand dit gezien? De Zwembroek, de Pikachu? Misschien moet ik naar huis gaan, maar mijn jas hangt in de gang en ik ben bang dat die jongen daar staat.

 

Merels hand op mijn bovenbeen, ze is verkleed als Willy Wonka met een lange donkerrode jas, een hoed en een gouden wandelstok. Ze vraagt: ‘Wie is dit?’

     ‘Yvie.’ Ik zeg het zo zacht dat ik twijfel of ze me heeft gehoord.

     Ze ratelt dingen die niet boven de muziek uitkomen en ik roep in haar oor: ‘Wie is die jongen met die kauwgombal?’

     ‘Wie?’

     ‘Hij draagt een wortelpak.’

     ‘O, Jake?’

     Ik knik en hoop dat er niet meer mensen in een wortelpak rondlopen.

     ‘Jezus, dat is geen kauwgombal. Zo is hij geboren.’ Merel begint te lachen en geeft een klapje op mijn schouder. 

     Het bier kolkt in mijn maag, kronkelt in mijn darmen. 

     ‘Zie je wel iets door die gaten?’ Ze trekt aan mijn laken, maar ik trek terug. Ze mag het niet afdoen, niet nu. 

     ‘Ik heb boven nog een kostuum van carnaval. Wil je dat aan?’ 

     Voordat ik kan antwoorden, pakt ze mijn hand, trekt me de keuken uit, de gang door, de trap op en ik moet bijna huilen omdat ik denk aan alle mensen die Jake hebben aangestaard, uitgelachen, domme vragen hebben gesteld op feestjes. En nu ben ik er één van.

 

In Merels slaapkamer trekt ze met een ruk het laken van mijn hoofd. Ik voel me bloot in mijn topje en legging, een witte, geleend van mijn moeder, net als het laken. Ik omklem mijn bierflesje en pulk aan het etiket. 

     ‘Je haar zit helemaal in de war.’ Merel doet de deur op slot, gooit haar gouden wandelstok op het bureau en strijkt mijn haar plat. Haar adem ruikt naar bier en knoflook.

     ‘Hey. Niet zo treurig kijken. Dit is een feest.’ Ze opent haar kastdeuren, rommelt wat, gebaart dat ik de legging moet uittrekken en laat een groen dinopak voor mijn neus bungelen, alsof het iets lekkers is. Ik stop mijn benen in de pijpen. Aan de achterkant zit een staart, maar geen capuchon, niks om mijn hoofd mee te bedekken. 

     ‘Nee, toch maar niet,’ mompel ik en ik wil eigenlijk wel weg en de deur zit op slot.

     ‘Maar het staat je zo goed!’ Ze trekt de rits omhoog, maakt foto’s met haar telefoon en laat die aan me zien. Achter me op het bed liggen mijn spookpak en de legging, maar als je snel kijkt, lijkt het gewoon een hoopje beddengoed.    

     Iemand rammelt aan de deurklink, buiten joelen mensen en ik denk de Pikachu te horen.

     Merel zoomt in op mijn hoofd. ‘Kijk dan, je ziet er fantastisch uit!’

     Iets in me roept: ‘Nee hoor!’ En: ‘Waarom doe je zo aardig!’ Maar ineens zie ik het: ik ben geen spook meer, ik ben een dino. Een dino die Jake nog niet kent. Of een dino die stiekem haar jas kan pakken. 

     Merel pakt haar wandelstok en port mijn schouder. ‘Kom, we gaan naar beneden, dan maak ik een cocktail voor je.’

     Ze opent de deur en een golf feestgeluiden spoelt naar binnen. Even zwiep ik met mijn dinostaart, van links naar rechts. Het voelt leuk. 

     Ik neem de laatste slok van mijn lauwe bier, zet het flesje op haar bureau, en volg Merel naar de trap.

Feedback

Over de ongemakkelijkheid van alleen zijn op een feestje, van faux pas, van jong zijn en open staan voor ervaringen